Romeins Umbrië
Tussen de Italische volkeren waren alvast de Etrusken hier nadrukkelijk aanwezig in hun zuidwaartse expansie naar Latium en Campanië. Stadspoort en muren van Perugia en de akropolis van Orvieto zijn er eclatante voorbeelden van. Umbrië was in de Romeinse tijd met verschillende coloniae en civitates bezaaid. De Via Flaminia liep door deze regio noordwaarts. Interessante Romeinse resten van Hispellum (Spello), Spoletium (Spoleto), Narnia (Narni), Tuder (Todi) en vooral van Carsulae zijn het bezoek waard. Arezzo was het eerste en grootste productiecentrum van Romeinse ceramiek, de terra sigillata. Ook indirect kan men Romeinse monumenten terugvinden in gerecupereerd bouwmateriaal (spolia in bijvoorbeeld de San Salvatore te Spoleto), of in hergebruikte gebouwen, zoals in de kerk van Sant’Ansano eveneens te Spoleto of de kerk van Santa Maria sopra Minerva, ingericht in de forumtempel van Assisi. Hieruit blijkt duidelijk dat het vroege christendom zijn sporen heeft nagelaten in deze regio. In de vroege middeleeuwen hebben talrijke kloosters zich in deze stille en vaak onherbergzame streek genesteld.Middeleeuws Umbrië
Wereldlijke geschiedenis
Aan het einde van het Romeinse Rijk (476) veroveren de Germaanse Ostro-Goten Italië. Zij nemen Ravenna als hoofdstad over.In het midden van de 6de eeuw slaagt Justinianus, keizer van het Oost-Romeinse Rijk, erin het schiereiland te heroveren. Maar ook dat blijkt niet duurzaam: in 568 vallen de Lombarden binnen en brengen Italië zo definitief in de middeleeuwen, gekenmerkt door patrimoniaal staatkundig denken, dat zich uit in feodalisme.
In de 8ste eeuw roept paus Stephanus II de katholieke Frankische hofmeiers, met name Pepijn de Korte, vader van Karel de Grote, ter hulp in zijn strijd tegen deze Ariaanse Lombarden. Zij creëren voor de paus een bufferzone in midden-Italië, de pauselijke staten, die onder meer een groot deel van Umbrië bevatten.
Het Italiaanse schiereiland zal snel, zoals elders in het door de Germaanse staatsgedachte beïnvloede westen, uiteenvallen in talrijke allodia, heerlijkheden en feodale territoria.
Zoals in feodaal Europa rijzen in Umbria dan ook burchten als paddestoelen uit de grond, evenveel tekens van feodale verbrokkeling. Talrijke spectaculair gelegen exemplaren zijn te vinden in de Valnerina, maar ook in Spoleto en Città di Castello. Dat geldt ook voor het Patrimonium Petri, waar zeer vroeg adellijke families twisten om de cathedra van Petrus.
Daarnaast vormen talrijke kloosters een zekere eenheid. Later ontwikkelen zich steden. Meer dan elders waren in Italië Romeinse steden ten dele bewoond gebleven, ook in Umbrië en de Pauselijke Staten. In de andere door Germaanse invallers bezette streken boven de Alpen bleef boven de feodale en stedelijke versnippering een koning of keizer tronen. In Italië was dat na de Byzantijnse bezetting niet meer zo.
Verbrokkeling van grond en gezag gaan meer nog dan elders in Europa hand in hand, vooral dus omdat 'Italië' geen koning of keizer had: het noordelijke deel bleef weliswaar onder controle van het Duitse Rijk, het centrale was pauselijk en het zuidelijke zal achtereenvolgens bezet worden door Byzantijnen, Islamieten, Noormannen, Duitsers, de Anjou’s en de koningen van Aragon.
Dat leverde een aparte evolutie op: er ontstonden in Italië geen natie-staat of natie-staten, maar stadsstaten. Eerst ontwikkelen deze stadstaten zich als comuni, kleine republieken. Daar zullen de tegenstellingen tussen kooplui en ambachten, maar ook tussen pausgezinde en keizergezinde lieden (in de Investituurstrijd en in de strijd tussen Welfen en Ghibelijnen) enorme proporties aannemen.
Opvallend is dat ze naast fraaie stadskerken ook talrijke burgerlijke gebouwen hebben, die in de middeleeuwen ontstonden, zoals de palazzi comunali of de palazzi del capitano te Arezzo, Gubbio, Todi, Norcia, het monumentale Palazzo dei Priori te Perugia.
Later groeien de Italiaanse steden daarom vaak uit tot signorie, waar één familie of clan als een dynastie de dienst uitmaakt en daarmee de vaak bloedige partijstrijd beëindigde. Ook in Umbrië was dat het geval.
Meer dan elders is in Italië de verbrokkeling dus gedifferentieerd, wat tot vele vetes en oorlogen leidde, maar ook tot bevruchting, dialoog en verrijking. De middeleeuwse verbrokkeling is bovendien in Umbrië nog anders gekleurd dan elders. Na de kruistochten waren verschillende ridderorden, zoals de Ridders van Sint-Jan en de Tempeliers actief in het controleren en beschermen van de pelgrimswegen naar de heilige plaatsen in Rome. Wanneer de orde van de Milites Christi (Tempeliers) in 1314 opgedoekt wordt, zullen vele van hun goederen in Umbrië in handen van de Johannieters komen.
De San Bevignatekerk bij Perugia is daarvan een interessant voorbeeld evenals de abdij van San Giustino d'Arna, ooit de hoofdzetel van de Tempeliers in Perugia. Dat de Johannieters zelfs letterlijk de pelgrimswegen controleerden is aangetoond door de kerk van San Giovanni de Butris te Acquasparta, gebouwd op een brug van de Romeinse Via Flaminia.
